De collectieve uitgaven en inkomsten bestaan uit: de uitgaven van het Rijk (bestaande uit begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven) en de uitgaven en inkomsten van de lokale overheden. Voorbeelden van premiegefinancierde uitgaven zijn de uitgaven aan de Algemene Ouderdomswet (AOW), de uitgaven aan de gezondheidszorg (ZVW) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (ZWBZ). Door deze verandering in presentatie is de sociale zekerheid nu de grootse post van alle rijksuitgaven.
De rijksuitgaven zijn te herleiden uit het overzicht van de totale collectieve uitgaven. Het totaal van de rijksuitgaven is te berekenen door de begrotingsuitgaven, premiegefinancierde uitgaven en onderlinge betaling van begroting aan sociale fondsen bij elkaar op te tellen. Dit is ook het geval bij de rijksinkomsten.
De registratie van de meeste collectieve uitgaven en inkomsten vindt plaats op kasbasis. Op kasbasis worden transacties geboekt in de periode waarin de betaling plaatsvindt. Om de berekening op transactiebasis te maken, wordt er een correctie gemaakt: een zogenoemd kas- transverschil. Het kas- transverschil is als aparte post opgenomen.
Binnen de collectieve sector zijn er ook onderlinge betalingen, bijvoorbeeld de betalingen van het Rijk aan het gemeente- en provinciefonds. Het Rijk telt dit mee als uitgave terwijl de medeoverheden dit zien als inkomsten. Deze betalingen worden niet dubbel geteld. Daarom worden ze ook apart aangegeven.
12-05-2010
|
PDF bestand, 266 Kb
12-05-2010
|
PDF bestand, 253 Kb
12-05-2010
|
PDF bestand, 215 Kb